Het begin:
Om een cirkel te haken heb je een ring nodig waar je de eerste vasten om kunt haken. Er zijn meerdere manieren om zo’n ring te maken. De meest eenvoudige manier is het haken van een ketting van 4 lossen en deze te sluiten met een halve vaste.
Het nadeel hiervan is dat er een gaatje ontstaat waardoor de vulling zichtbaar wordt.
Een andere manier is de zogenaamde “magische ring”, deze heeft als voordeel dat je het werk zo strak kunt aantrekken als je wilt en er van een gaatje dus geen sprake meer is.
De magische ring is wat lastiger te maken en vergt iets meer oefening dan een lossenketting.
In mijn patronen ben ik gemakshalve uitgegaan van een lossenketting, maar ik zal de techniek van een magische ring ook uitleggen.
Mocht je de magische ring willen gebruiken begin dan elk patroon met het haken van het aantal vasten van toer 1 in de ring.
Lossen:
Begin met een opzetlus (tekening 1 en 2). Sla dan de draad om de naald en trek deze door de lus (tekening 3 en 4). Dit is de eerste losse. Sla de draad weer om de naald en haal deze door de lus op de naald. Herhaal dit tot je het juiste aantal lossen hebt gehaakt.
Ketting sluiten:
Om een lossenketting te sluiten maak je een halve vaste als volgt: steek de haaknaald in de eerste losse van de ketting. Sla de draad om de naald en haal deze door de beide lussen om de naald (tekening 5).
Magische ring:
Maak een lus door het korte uiteinde van de draad achter de draad die aan de bol vast zit te leggen (tekening6). Haal met de haaknaald de draad door de lus (tekening 7).
Sla de draad om de naald en haal deze door de lus op de naald (tekening 8).
Nu kun je beginnen met het haken van vasten in de ring. Als je het juiste aantal vasten hebt gehaakt trek je aan het uiteinde van de draad tot je een dichte cirkel van vasten hebt.
Vasten:
De eerste toer vasten haak je door met je haaknaald in de ring te steken. Sla dan de draad om de naald, haal de draad door de eerste lus (de lossen) op de naald, sla de draad nogmaals om de naald en haal deze nu door beide lussen op de naald (tekening 9).
Herhaal vanaf het begin tot je het juiste aantal vasten hebt gehaakt.
In de toeren die volgen steek je de haaknaald niet in de ring maar in het v’tje van de volgende steek.
De beestjes in dit boek worden allemaal spiraalsgewijs gehaakt, d.w.z. dat een toer niet wordt afgesloten met een halve vaste, maar dat er gewoon wordt doorgehaakt.
Het is daarom handig om het begin van de toer te merken met een gekleurd draadje of een paperclip.
Vasten meerderen:
Om te meerderen haak je gewoon 2 vasten in 1 vaste van de vorige toer.
In mijn patronen worden de meerderingen aangegeven op de volgende manier:
2v in elke 3e v. Dit betekent dat in elke 3e vaste van de volgende naald 2 vasten moeten worden gehaakt, dus: 2 vasten haken, 2 vasten in de volgende vaste, 2 vasten haken enz.
Vasten samen haken:
Om te minderen haak je 2 vasten samen als volgt: steek de haaknaald alleen in de voorste lus van de volgende vaste, sla de draad om de naald en haal de draad door de eerste lus op de naald. Steek de naald in de voorste lus van de volgende steek, sla de draad om de naald en haal deze door alle 3 de lussen op de naald (tekening 10).
Stokjes:
Sla de draad om de naald en haal de naald door de eerstvolgende steek. Sla de draad nogmaals om de naald en haal de draad door de steek op de naald. Je hebt nu 3 lussen op de naald. Sla de draad weer om de naald en haal deze door de eerste 2 lussen op de naald (tekening 11). Sla de draad weer om de naald en haal deze door de laatste twee lussen op de naald.
Dubbele stokjes:
Sla de draad twee keer om de naald en haal de naald door de eerstvolgende steek. Sla de draad om de naald en haal de draad door de eerste steek op de naald. Je hebt nu vier lussen op de naald. *Sla de draad weer om de naald en haal de draad door de eerste 2 lussen op de naald. Herhaal dit vanaf het * nog 2 keer.
Kleur wisselen:
Als je wilt wisselen van kleur, haak dan de steek vóór de kleurwisseling tot het punt waarop je 2 lussen op de naald hebt. Knip de eerste kleur af en sla de nieuwe draad over de naald. Maak de steek af in de nieuwe kleur.
Afhechten, opvullen en dichtmaken:
Om de draad af te hechten knip je deze op ongeveer 10 cm van het werk af. Haal de draad door de laatste lus en trek aan.
De losse draden aan de binnenkant van je werk kun je gewoon laten zitten.
Vul je werk goed stevig op. Voor de kleine delen kun je de achterkant van een potlood gebruiken.
Haal de afgehechte draad door een stopnaald. Haal de draad door de voorste lussen van de overgebleven steken en trek hiermee het overgebleven gat dicht.
Steek de naald met de draad nu enkele keren dwars door het werk, zodat de draad zich goed in de vulling vasthecht. Knip de draad af.
Vilt vastzetten:
Knip de stukjes vilt uit. Speld het vilt op de juiste plek op het haakwerk. Leg een knoop in het uiteinde van een stukje borduurdraad en haal de draad van achter naar voor door het haakwerk en het vilt. Zorg dat je een paar mm van de rand uitkomt. Zet nu het vilt met een festonsteek vast (tekening 12).